dinsdag 27 oktober 2015

WALTER MARIA REDDING

De zomerroman ‘Walter Maria Redding’ van Taco Meeuwsen verscheen in 1991 in serie Angel-Post en daarvoor als publicatie in ondermeer het Maandblad Beeldende Vakken.

Walter had het moeilijk.
Zijn problemen beperkten zich niet tot hoofdbrekens over het middellang krediet dat hem zo langzamerhand als een molensteen om de nek hing. Of zijn stumperige pogingen een eigen zaak van de grond te tillen. Een zaak in Vorm en Inhoud, die het met de mensen, zijn klanten, goed voor zou hebben en die hem in één klap uit het dagelijkse geknoei met de kruidenierspenningen tillen zou. Evenmin lag de grens van zijn getob bij de branderige korstjes in zijn neus, die raar roken als hij eraan peuterde. Een geur die meer van ziekte zei dan een seizoensgebonden verkoudheid of een griepje in de maak. Een geur die, naar hij vreesde, een groot gat in zijn aangezicht voorspelde en lange sessies doorzonstraling om de schade daarbinnen, in het zachte weefsel van zijn voorhoofdsholte, beperkt te houden.

Was het maar zo dat zijn problemen ophielden bij het schaduwboksen met zijn levensgezellin. De dans om de aandacht. Zijn voetenwerk in de ring van hun liefdesverbond werd al luier en luier. De fut was eruit. Te goed kenden ze elkaar nu. Ze dachten plaatsvervangend en ze handelden al op voorhand. Ze spraken bezweringen uit die ellendig waren in hun alledaagsheid. Als jij de vuilnisbak, dan ik de afwas. Vier keer bedopmaken is één keer autowassen of stofzuigen, het hele huis. Al maanden moest er een tochtstrip langs de voordeur en nu het echt winterde slikten ze zwijgend de stuifsneeuw op de kokosmat. Geen onvertogen woord.

Moeilijk had hij het ook niet echt met de gesprekken die hij bij herhaling met zichzelf voerde. Mensen babbelden wat af in zichzelf. Het leek een bestaansvoorwaarde. Alsof je ijl en doorzichtig werd, wanneer je jezelf niet bij voortduring toesprak.
‘Etterbuil!’ siste hij tegen zichzelf. ‘Wanneer niks je in beweging brengen kan, wanneer alles je even zinloos voorkomt en je de slaap verkiest, dan mankeert er wat aan je ontsteking. Dan wordt het de hoogste tijd voor de inname van licht ontbrandbare spiritualiën. Op een zuipen moet je het zetten.’

Hij was niet altijd even vriendelijk in de omgang met zichzelf. ‘Held!’ beet hij zich toe, nadat hij gehoor had gegeven aan zijn raadgeving en zijn lippen gulzig aan de fles had gezet. ‘Wat er nog mooi is in deze wereld loopt stuk op je sternum. Neem gerust nog een slokje. Een gevoelsmens zoals jij moet zijn tederheid wel verdrinken. Te groot en veelomvattend zijn immers je indrukken? Maak je lijdzaamheid vloeibaar, dan is de verbazing draaglijk.’
‘En straks...’ ging hij verder met dikke tong. ‘...is je binnenste een klotsende, deinende zee van verdriet. Een vlammetje bij je hete adem en je zult zien. Je vliegt achteruit met de ontbranding van de eerste viertrapsraket. Om vòòruit te snellen, ontsteke men de vlam in de bilnaad.’

‘Waarom ik in deze wereld een vreemde ben? Omdat ik nooit samenval met mezelf, daarom! Wie in deze wereld samenvalt met zichzelf kan eenvoudig alles bereiken. Alle genietingen staan bedenkingsloos ter beschikking. Alle strevingen zijn verkiesbaar. Ben je echter je bespieder, zoals ik, dan ben je een spion in de wereld. Incognito trek je van plaats tot plaats en behoedzaamheid kleeft aan je als een tweede huid. De plannen achter de plannen vergallen je bestaan. Je illusieloosheid maakt een lepralijder van je. Wikken en wegen is een eigenaardigheid die je tenslotte niet in dank wordt afgenomen.’

‘Is er Redding? Ben ik? Wellicht droom ik ook slechts mijn bedenkingen en mijn twijfels. Als alles is gedroomd. Wanneer ze spreken over Redding, dan tuimel ik van de ene verbazing in de andere. Ben ik aardig? Word ik ontvankelijk gevonden? Mededeelzaam? Inspirerend? Daarop wil ik drinken! Een toost op de troost. De mooiste zijn in iemands ogen, verzacht mijn meedogenloosheid. Soms. Kwal.’
‘Nog eentje. Om het af te leren. Mag ik soms kracht putten uit andermans zwakte? Mag ik deelgenoot worden van een massieve tevredenheid die heel slaapverwekkend, maar ook heel aanlokkelijk zijn kan? Wanneer ik mijn eigen ijdelheid bespot, dan moet ik hongeren naar het hogere van elders. Is dat draaglijk? Afwachten en doorzakken maar.’

Nee, dat was het allemaal niet. Kwellingen van een tilbare orde waren het. Ieder kende dat soort van zorgen. Een kiespijntje. Groter willen wonen. Op je onderlip bijten in gezelschap. Het allemaal heel anders willen doen. Zichzelf bezag Walter echter met verholen weerzin. Zijn uiterlijk vond hij maar schameltjes en zijn mogelijkheden beperkt. Was het een wonder dat hij over de meesten niet veel anders dacht? Wat uit zijn handen komen moest bleef maar uit. Wat andere handen klaarspeelden was kinderspel.

Was er een tijd geweest dat zijn huidige leventje hem aanlokkelijk had geleken?
Ja, die tijd was er geweest. Heel lang geleden leken de gewoonste dingen het moeilijkst. Trouwen, een huis kopen, je mannetje staan, het leken veldslagen vanuit het perspectief van de jongeling. Dromen was toen zijn forte en niet het ellebogenwerk van het bestaan. Maar stilstand was achteruitgang, dus voort ging het, in die dagen. Voortekenen dat het allemaal heel anders uitpakken zou waren er voldoende geweest, maar met voortekenen is het vreemd gesteld. Pas achteraf zie je haarscherp hoe voorlijk ze waren.

En nu? Nu leek het wel alsof hij dagelijks naschriften te verwerken kreeg. Hoogst verwarrend. De laatste dagen konden indrukken uit het verleden hem op de vreemdste momenten overvallen. Je deed er niks aan en wat vervelender was; je kon niemand uitleggen wat je overkwam. Een volwassen vent in de kracht van zijn leven die huilde bij de aanblik van twee potten bruine bonen, een fles witte Moezel en een gezinszak Milky Way’s in het winkelwagentje van zijn voorganger, kon rekenen op de onthutste en gegeneerde aandacht van alle omstanders.

‘Het doet me ergens aan denken.’ had hij nog gemompeld, toen de man van het winkelwagentje zich naar hem omdraaide. Een onverzorgde figuur, die hem ook al deed denken aan iets, aan iemand. Met natte wangen was hij halsoverkop de winkel uitgevlucht. Het boodschappenlijstje zat nog in zijn jaszak. Hij zou elders alles opnieuw moeten inslaan en nooit meer terugkeren naar die winkel.

Waaraan deed die man met zijn schamele inkopen hem denken? Zo’n beeld gaf hem een forse duw in de tijd. Dat kon je niet zomaar duidelijk maken. Ontreddering, een uittreding was het. Van binnen kropen de vloeistoffen in zijn lijf naar een heel bepaald punt, ergens ter hoogte van het borstbeen. Een liquide bal verzamelde zich daar. Achter in zijn nek, net onder het schedeldak, waar de stam van de champignon wortelt in de ruggengraat, schakelden transmitters naar een slagorde die zich schrap zette voor de duw. De bal in zijn borst was als een vinger om de trekker, het slaghoedje zat tussen de atlas en de draaier. Werd de trekker onverwachts overgehaald, dan sloeg met kracht zijn kin op zijn borst. Dat moest een komisch gezicht zijn, alsof hij salueerde en zich daarbij de mindere toonde. Maar het resultaat was allerminst grappig. In een oogwenk verloor hij alle besef van tijd. Flitsen van een eerder bestaan overrompelden hem.

In het geval van de man met het winkelwagentje, keek hij in de stokoude ogen van een Bretonse zwerver. Hij was weer in Rennes, woonde er in een kale flat, sliep er op een te kort matrasje en baande zich iedere ochtend door de natte sneeuw een weg naar de Academie voor Vorm en Inhoud. In een wereld, die maar van straathoek tot straathoek strekte en slechts vijf meter hoog leek, alwaar een dek van kleffe vlokken hing, woeien kreten aan in ongeduldig Frans. Taal van mensen die dringend ergens heen moesten en op de claxon van hun wagens hingen. Woest gebarend vanuit het raampje van hun voorportier leken de bestuurders wel om hulp te schreeuwen, alsof iets in het donkere binnenste van de auto hen naar het leven stond. ‘Au secours! Au secours!’, waar au inzat, wat Walter heel toepasselijk vond.

Voorbijgangers drongen in die schemerwereld glibberend zijn ruimte binnen. Hij werd geduwd, iemand verstapte zich en greep zijn arm. ‘Pardon! Merci.’ Zijn eigen voeten schuifelden onzeker door de zachte pulp op de kasseien. Hij kon zich de grauwe slang van menselijke chaos voorstellen, kronkelend langs alle wegen die naar het centrum van de stad leiden. Het centrum waar iedereen moest zijn, omdat de weersomstandigheden, die aanhoudend verslechterden als voorbode van een onverwachte ondergang, elke uitval naar het omringende platteland verijdelden. Konden er zich maar tijdig genoeg mensen verzamelen op de Place. Met een gezamelijke inspanning en de warmte van al die lijven zou een beschermende koepel over de stad gevormd kunnen worden. Op een geheimzinnig teken moesten ze allemaal gelijktijdig uitademen en de vorstige adem omhoog stuwen. Een ondoordringbare glazen stolp zou het gevolg zijn. Redding was een barok ijsgewelf.

Op de hoek van de Rue Faubourg klampte een zwerver hem aan. Hij had zich geïnstalleerd in het portiek van het Cabinet Dr. Ipsenschwitz, médecin. Onder de treden van Noors graniet, die naar de statige entree leidden, zaten roosters waaruit warme kelderlucht omhoog wasemde. De traptreden had de zwerver gestoffeerd met stukken karton, zijn schamele kleren omwikkeld met kraft, een stevig, gelijmd pakpapier. Hij leek geenszins van plan te delen in de algemene hysterie. Een run op de Place behield voor hem geen bekoringen. Met het eind in zicht kon er echter niks op tegen zijn die lange buitenlander een sou lichter te maken.

Walter, van zijn stuk gebracht door de klemmende greep van de zwerver om zijn bovenarm en diens tijdloze, grijze ogen, doorzocht bedremmeld zijn zakken. Er kwam een briefje geld boven, maar hij kreeg geen tijd de hoogte van de donatie te taxeren. Handig en met een stralende grijns goochelde de zwerver het biljet tussen de wikkels papier rond zijn borst. Walter werd uitbundig beklopt en heen en weer gewiegd. Dankbaarheid, met vlagen adem van tafelwijn en flarden rad Frans, werd zijn deel. Hij loerde naar de baard van de zwerver waarin korstmossen leken te gedijen. Van zijn gebarsten lippen stonden kloofjes overeind als harde schubben en dik winterspeeksel trok draden in zijn mondhoeken. Walter huiverde.

Hij keek neer op diens povere bezit. Keurig op elkaar gestapeld stonden er vier blikjes tonijn in tomatensaus en een onaangebroken fles rode wijn op de bovenste traptree. De voorraadkast. Op de onderste tree lag een leeggeschraapt blikje, een blikopener, een verfrommeld servet en een wijnfles met een bodempje groen drinken. Ergernis, schaamte, vernedering en medelijden, heel de verdwaasde kakofonie van het mensdom ontstak in hem, toen hij zijn tocht naar het centrum voortzette. Hoe die viespeuk hem te slim af was geweest en parasiteerde op zijn ongemak. Maar dat hij tevens, in een roes van de mythe rond clochards, Abbé Pierre beschouwde als een weldoener en de arme sloebers die hij hielp als ingenieurs, doctorandici, dolenden van gegoede komaf, bij wie de beschaving schuil ging onder een noodlottig laagje stadsvetten en straatroet. Hoe hij dat wat hij kon geven onwillekeurig beschouwde als een druppel op een gloeiende plaat en in dezelfde ademtocht een samenleving aanklaagde die de zelfkant zo aan haar lot overliet. Hoe zijn eigen kansrijke bestaantje hem bezwaarde in de onmiddellijke nabijheid van zo’n arme drommel, maar dat tevens zijn sentimenten hem ervan weerhielden de nietsnut zijn plaats te wijzen. Niet werken, niet eten en dat zul je weten.

Erger, veel erger werd het allemaal, toen hij daags erna, joggend langs het Canal, onder een weer opgeklaarde hemel, plotseling het levenloze lichaam van dezelfde zwerver stroomafwaarts had zien drijven. Het kraftpapier slierte om het lijk als de losgeweekte wikkels van een mummie en het lichaam bolde van de stervensgassen. Hij stond erbij toen de Pompiers met enterhaken het lijk landden en zag een biljet van vijfhonderd doorweekte franken uit het borstpapier glijden. Eén van de spuitgasten was er zeer mee in zijn nopjes en deed, met een stuitend gebrek aan decorum, korte vreugdepasjes. Walter had zich afgevraagd of de voorraadkast er nog net zo bij zou staan, op de bovenste tree in het portiek aan de Rue Faubourg. Maar in de maanden die hem in Rennes hadden gerest was hij de Academie voor Vorm en Inhoud langs een andere route gaan benaderen.
Kijk, dan heb je het dus moeilijk. Wanneer op ongewenste tijdstippen deze en dergelijke haarscherp gedocumenteerde voorvallen hun opwachting maken, dan is de ontwrichting even wat lastiger het hoofd te bieden dan bij een achterstallige betaling, een onvertogen woord in huiselijke kring, hardnekkig neusvuil of een kwijnende nering in Vorm en Inhoud. Dat vond Walter Maria Redding zelf ook.

‘Probeer aan iets anders te denken. Zorg dat je het vòòr bent.’ adviseerde Maya, zijn levensgezellin. Hij had getracht het haar duidelijk te maken, maar eerlijk gezegd kon ze zich niet echt voorstellen wat hij bedoelde. Wanneer zij eens iets niet leuk vond, dan dacht ze gewoon aan iets anders, een nieuwe auto, andere vloerbedekking, een complex breipatroon, de inrichting van een fantasiehuis. Wanneer ze zichzelf niet leuk vond, dan dacht ze gewoon aan vroeger. Dan toverde ze het beeld van haar slaapkamertje terug. Het dekbed met de clowntjes waarmee ze knus onder het ledikant kroop, zodat de poten van het bureau uit de verte een stadspoort leken en ze zich een sprookjeswereld verbeeldde in de ruwte van de Heugavelt-tegels. Van die ene herinnering kon ze helemaal rustig worden.

‘Maar dat is het nu juist!’ had Walter uitgeroepen. ‘Als ik mijn zinnen zet op vroeger, dan komt er helemaal niks!’ Dat begreep ze al helemaal niet. Iedereen had toch herinneringen? Ze wist zelfs zeker dat Walter ook herinneringen had, hij had haar immers verteld waar hij vandaan kwam?
‘Ja, uit de derde hand,’ legde hij uit. ‘van horen zeggen. Vader en moeder doen het woord, een tante vult hier en daar wat aan, je broer en je zus maken de vertelling compleet. Zie uw leven.’
‘Nu doe je moeilijk.’ zei ze en tekende met haar handen in de lucht de zwevende grens waar ‘moeilijk doen’ een aanvang nam.
‘Ik doe moeilijk, omdat ik het moeilijk hèb,’ zei Walter wrokkig. ‘ik voel geen levende herinneringen in dit lijf. Als ik mijn zinnen zet op vroeger dan ben ik een vreemde. Maar ongevraagd wordt ik bestookt met herinneringen, zo levendig, zo echt, dat ik in een andere wereld plons. Nou, dat komt vaak heel slecht uit.’

En omdat respons uitbleef beschouwde hij zichzelf van lieverlee als een zonderling waar het zijn reminiscenties betrof. Dat was trouwens de boodschap van één van de voortekenen geweest; dat hij zichzelf zou gaan beschouwen als een zonderling. Toen het aan de Academie voor Vorm en Inhoud in de gaten begon te lopen dat Walter geen genoegen nam met het gedoceerde gedragsbeginsel, was hij eens apart genomen door de docent Lijnen en Vlakken. Rozegeur, die zo genoemd werd omdat hij, zoals het een goed schepper betaamd, wars van wassen was, had getracht Walter te verzoenen met het credo dat de school aanhing.

‘Heel soms...’ had Rozegeur gezegd. ‘krijgen we hier studenten binnen met een gouden handje. Je zult denken dat we daar om zitten te springen, maar dat is niet zo. Studenten met een gouden handje zijn de ergsten voor een Academie als de onze.’
‘Hoezo?’ had Walter zoetjes gevraagd.
‘Dat is niet zo één, twee, drie uitgelegd,’ peinsde Rozegeur. ‘vorm en Inhoud springen alleen dan in het oog wanneer ze één-voudig ten tonele worden gevoerd. Studenten met twee linkerhandjes hebben dat snel door. Die kiezen al snel voor één Vorm en één Inhoud. Daar hebben we wat aan. Iemand die de wereld ingeschopt wordt met één Vorm en één Inhoud is begrijpelijk, snap je. Het is voor de mensen in de wereld van Chaos en Vervlakking al moeilijk genoeg om zich te verdiepen in één Vorm en één Inhoud. Dus zijn wij ervoor om te zorgen dat beide eenheden maar bij één persoon horen. Dat noemen we...’
‘Een Stijl.’ had Walter lauwtjes geantwoord.
‘Precies, een Stijl. Waar zouden we blijven wanneer Stijlen onderling inwisselbaar werden? Hoe zou de wereld eruit zien wanneer Vorm en Inhoud nergens meer bij hoorden? Dat begrepen ze al bij het Bouwhuis, dat je geen bouwsel optrekt uit een ratjetoe aan stijlen, want dan krijg je een Kaartenhuis. Dus wat doe je? Je dicteert één Vorm en één Inhoud en herhaalt die net zolang tot je Absolutie krijgt.’

‘Ja maar, hoe zit het dan met dat gouden handje?’ had Walter ongeduldig gevraagd.
‘ Daar kom ik zo aan toe,’ zei Rozegeur scherp. ‘je moet weten dat iemand die de Academie verlaat nog geen Stijl heeft. Dat zijn we zo overeengekomen. Zo iemand heeft een Stiel. Een Stiel is dat wat voorafgaat aan een Stijl. Een Stiel is een combinatie van Vorm en Inhoud die je nooit meer vaarwel zegt. Door nu maar lang genoeg trouw te blijven aan een Stiel, krijg je tenslotte een Stijl. Hoe dat precies gaat laat ik voor het gemak even buiten beschouwing. Wat duidelijk moet zijn is dit: zonder Eenvoud geen Stiel, zonder Stiel geen Herkenbaarheid en zonder Herkenbaarheid geen Erkenning.’
‘En zonder Erkenning geen Stijl?’ vroeg Walter.

‘Zo ongeveer ja,’ zei Rozegeur. ‘maar een gouden handje is gulzig. Een gouden handje wil alles kunnen en zal zich nooit tevreden kunnen stellen met één Stiel. En een gouden handje is ongeduldig. Dus zijn de gouden handjes bij ons de echte zorgenkindjes. Net denk je, nou heeft’ie het gevonden en kijk dat eens wonderwel bij hem passen, of het gouden handje smijt het alweer overboord om wat anders uit te proberen. Heel vermoeiend allemaal. Vooral, laat ik het maar eerlijk zeggen, omdat wij als docenten niet zoveel pijlen op onze boog hebben als het gouden handje wel zou willen. Heel vaak hebben wij maar één pijl op onze boog. Natuurlijk wel een hele goeie.’

‘En wat heeft dit met mij te maken?’ vroeg Walter.
‘Mag ik een voorspelling doen?’ had Rozegeur gevraagd. ‘Jij bent een woelwater. Je zult geen genoegen nemen met de afspraak dat we allemaal maar één Vorm en één Inhoud tot de onze maken. Jij wilt alles en mensen die alles willen krijgen niks.’
‘Dat klinkt somber’
‘Dat ìs ook somber,’ beaamde Rozegeur. ‘het maaiveld van Vorm en Inhoud staat geen populierensoort toe die nu eens in de breedte en dan weer in de hoogte uitbot en vanuit de verte vandaag op een eik en morgen op een beuk wil lijken.’
‘Weet je, tussen haakjes, waarom de schepper van dat maaiveld met die kraaien erboven zo onbeschoft beroemd is geworden?’ fluisterde Rozegeur samenzweerderig. ‘Omdat het een ploeteraar met twee linkerhandjes was. Daarom.’
‘Wat kunt U mij aanraden?’ had Walter gevraagd.
‘Voortaan doe je Lijnen en Vlakken alleen nog maar met links!’ had Rozegeur geantwoord.

Zo had Rozegeur het voorspeld en aangezien Walter Lijnen en Vlakken met links al spoedig even vaardig en ongeduldig naar zijn hand zette, kwam de voorspelling na enige jaren uit. Walter was niks. Niet slechts op het gebied van Vorm en Inhoud had hij de pias uitgehangen, zodat men al gauw ging mopperen dat niks echt was aan zijn schepsels, maar zelfs zijn eigen Ik ruilde hij naar believen voor boeiender experimenten, zodat na verloop van tijd het Ik het spoor bijster was. In ieder geval het spoor terug. Echte herinneringen kwamen niet wanneer hij dat wilde, echte scheppingen evenmin. Zijn bestaan begon te cirkelen rond die ene vraag, wat is echt en wat niet. Wie ben ik echt en wie niet. Een levensvraag.

Nu zijn levensvragen over het algemeen zo lastig omdat de antwoorden zo misleidend zijn. Op de vraag waartoe je hier op aard bent, wordt bijvoorbeeld geantwoord; ‘Wat zou je zèlf willen?’ Antwoord je op die vraag ‘Alles’, dan krijg je al snel te horen dat je niet alles kan willen. Zo kwam Walter dus niet veel verder. Het begon erop te lijken dat je maar beter niet zoveel vragen stellen kon. Het begon er zelfs op te lijken dat ‘echt’ slechts bestond omdat zoveel mensen dàchten dat het echt was. En wat sommigen voor echt hielden, was voor anderen weer pertinent onecht. Walter merkte op dat het allemaal nog veel verder ging. Het gewicht van wat ‘echt’ was werd ontleend aan het aantal aanhangers. Zo vormden er zich groepen. Van die groepen waren er weer die wat zij zelf voor ‘echt’ hielden niet wilden opdringen aan anderen. Mensen uit die groepen meenden wel dat anderen ‘onecht’ waren, maar zij betrachtten voorzichtigheid in het eruit flappen van hun eigen ‘echtheid’. De reden daarvoor was, dat anderen ‘er nog niet aan toe waren’. Hoe onechter alles werd, hoe meer het woordje ‘echt’ zich door de taal vlocht. Je kon geen gesprek meer opvangen of het vertelde werd ‘echt waar’ gevonden of ‘echt erg’ of ‘echt raar’.

En aan Walter was zo langzamerhand niks meer echt. Zijn bestaan kwam hem meer en meer als een ongevraagde droom voor. De nekslagen die zijn herinneringen hem toedeelden volgden elkaar in steeds hoger tempo op. Met een duistere zekerheid ging hij vertrouwen op zijn ontregelingen, want mensen zijn nu eenmaal niet voor één gat te vangen.

Zo gebeurde het dat Maya hem verliet zonder dat het tot hem doordrong. Hij zag slechts een raar, dor landschap voor zich, wanneer hij een blik gezoete maïs opentrok. Of hij beklom met gevaar voor eigen leven een grauwe berg, wanneer hij een sinaasappel pelde en er sap uit de vrucht op zijn gezicht spatte. Hij zag het mauve van een voorbijrijdende Jaguar en bevond zich plotseling op zijn knieën in een wirwar van dinkey-toys, imiteerde het geluid van brandend rubber met een verwrongen mond. Hij zag een roedel herten in een uitgestorven buitenwijk, omdat het zwaar gesneeuwd had. Hij douchte met een heel elftal tegelijk en in de overwinningsroes maakten alle jongens dolle sprongen onder de hete straal. Ze zongen: ‘We are the champions!’ en hij zong uit volle borst mee.

Zo overleed hij. Met zijn bokkesprongen in de badkuip vroeg hij natuurlijk om een ongeluk. Hij gleed uit en brak zijn nek op de geëmailleerde rand. Ergens tussen de atlas en de draaier kraakte het en zijn kin smakte op zijn borstbeen, wat een komisch gezicht was, want zijn tong stak nog paars tussen zijn tanden uit. Echt waar.


Taco Meeuwsen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen