zaterdag 8 maart 2014

WOEDEND UITZICHT- kort verhaal


'Woedend Uitzicht' van Taco Meeuwen verscheen eerder
in 2010 in het Vlaams literair tijdschrift met neus: 'De Brakke Hond'.

Meneer Floret ziet sterretjes. Hij gaat ermee naar de dokter. 
‘Dag meneer Floret’, zegt de dokter. ‘Ik ben dokter Hans. Ik loop co-schappen bij dokter Spaargaren die een weekje naar Brussel is voor een seminar over zwembadbevalling.’ 
‘Ik begrijp het’, zegt meneer Floret. ‘U doet de boodschappen.’ 
‘Zo ongeveer,’ glimlacht dokter Hans. Hij vraagt meneer Floret wat er aan scheelt. 
‘Ik zie sterretjes’, zegt meneer Floret. 
‘Trekt u om te beginnen uw trui maar eens uit’, zegt de dokter. ‘Hebt u het druk?’ 
‘Zo druk’, zegt meneer Floret. Hij wijst met zijn platte hand een liter boven zijn hoofd aan. Hij verzuipt in drukte. De dokter knikt en luistert aan meneer Floret zijn blote borst. 
‘Ademt u maar eens flink in’, zegt hij. 
‘Zou ik dat nou wel doen?’ vraagt meneer Floret. 
‘Waarom niet?’ vraagt de dokter. 
‘Als ik doe wat u zegt, diep inademen, dan krijg ik het allemaal binnen.’ 
‘Wat krijgt u binnen?’ wil de dokter weten. 
‘Drukte natuurlijk’, zegt meneer Floret. 
Daar zit wat in. Dokter Hans staat even na te denken. Hij speelt wat met zijn stethoscoop die smakt op de palm van zijn opengesperde hand. 
‘Wacht, ik weet wat’, zegt dokter Hans. Hij neemt meneer Floret voorzichtig bij zijn arm en leidt hem naar een hoekje van de praktijk. 
‘Gaat u hier maar even staan, terwijl ik naar uw borst luister’. 
‘Waarom hier?’ vraagt meneer Floret. 
‘Op deze plaats is de druk een stuk minder’, fluistert dokter Hans. 
Meneer Floret ademt diep in. 
‘Ik hoor het al’, zegt de dokter. ‘U hapert behoorlijk.’ Met het koele staal van de stethoscoop beklopt hij de rug van meneer Floret. 
‘Wat bent u aan het doen?’ vraagt meneer Floret. 
‘Ik probeer te horen waar het hapert’, zegt de dokter. ‘Gewoon doorademen alstublieft.’ 
‘Ik heb het gezien’, zegt dokter Hans, wanneer hij uitgeluisterd is, ‘trekt u de trui maar weer aan.’ Meneer Floret kleedt zich aan en gaat zitten op de stoel voor het bureau van de dokter. Dokter Hans tikt wat op de computer. 
‘U staat gespannen als een veer, meneer Floret’, zegt de dokter. ‘De cultuur groeit u boven het hoofd. Het hart is goed, maar het lichaam maakt overtoeren. U bent bang om te ademen en dan gaat de boel haperen.’ 
‘En die sterretjes?’ vraagt meneer Floret. 
‘Stress,’ zegt dokter Hans. ‘Sterretjes zijn het gevolg van stress. Als ik me niet vergis draagt u het sterrenbeeld Adrenaline daarbinnen. Dat moet eerst tot bedaren komen. U moest het maar eens een weekje of wat rustig aan gaan doen.’ 
‘Is dat alles?’ vraagt meneer Floret. 
‘Dat is alles’ zegt dokter Hans, ‘En Floret?’ 
‘Ja’, zegt meneer Floret. 
‘Even helemaal geen cultuur meer’. 

Al na de eerste tien passen op kantoor ziet meneer Floret weer sterretjes. Ze fonkelen in het kerstneon vlak voor zijn ogen. Hij is naar zijn werk gegaan om te vertellen dat hij het rustiger aan moet doen. Hij heeft nog geen voet binnen gezet of meneer Beer klampt hem aan. Meneer Beer is één van de bazen van meneer Floret. 
‘Floret, hebben we nou al een oplossing voor het conservatorprobleem?’ vraagt meneer Beer gejaagd. 
‘Nee’, zegt meneer Floret. 
‘Nee is niet goed genoeg’, zegt meneer Beer wanhopig. ‘Ik ben voor vanmiddag in de bestuurstoren besteld en dan moet ik met een oplossing komen.’ 
‘Goed dan,’ zegt meneer Floret. ‘Er is bijna een oplossing voor het conservatorprobleem. Dat herinner ik me nu. Nog een paar daagjes en er is een oplossing. Overal in Nederland denken op ditzelfde moment conservatoren na over ons probleem. Ieder moment verwacht ik een telefoontje. Dat kan vandaag zijn, dat kan morgen zijn. Word ik gebeld, dan maak ik een afspraak om met de conservatoren om tafel te gaan zitten. Ik ben er van overtuigd dat, als we maar eenmaal om tafel zitten met de conservatoren, de cultuur in een uurtje is gered’. 
‘Prima, goed werk Floret’, zegt meneer Beer opgelucht. ‘Ik zal het doorgeven aan de bestuurstoren. Er zit schot in de zaak en daar ben ik blij om. Tenminste iets dat loopt. Weet je, Floret, het zit me af en toe tot hier, al het werk.’ Meneer Beer wijst met zijn vlakke hand twee liter boven zijn hoofd aan. Met zijn andere hand klopt hij meneer Floret vriendschappelijk op de schouder. Meneer Florets’ sterretjes rinkelen. 
‘We hebben het er nog over’, roept meneer Beer. 
Meneer Floret is op weg naar zijn werkkamer. De gangen van het kantoor wentelen hem tegemoet. Bij iedere stap die hij zet is het alsof hij op het plafond zal belanden, of op de muren. Boven en onder zijn goed zoek. De mensen in de gangen lijken wel allemaal ziek. Ze wankelen met een dronkemanstred, sommigen zoeken steun tegen een deurlijst. Er is maar één gespreksonderwerp in de gangen van het kantoor. Waar hij ook kijkt ziet hij collega’s literstreepjes boven hun hoofd aanduiden. Het is een gek gezicht. Visserslatijn voor de kantoortuin, denkt meneer Floret. Hij nadert zijn werkkamer. Hij krijgt het warm en de sterretjes voor zijn ogen veranderen van kleur. 
Op zijn werkkamer zit meneer Bazuin. 
‘Floret, hoe is het nou jongen?’ vraagt meneer Bazuin tandenknarsend. ‘We maakten ons al zorgen over je’. Meneer Bazuin heeft de overbeet van een graseter. Zijn scheurkauwersgebit maalt voortdurend. Met de tandenman deelt meneer Floret nu al jaren een kantoorunit. Bij alles wat meneer Floret aan zijn bureau onderneemt verzorgen de kiezen van Bazuin de begeleiding. 
‘Ik moet het rustiger aan doen’, zegt meneer Floret. ‘De dokter heeft me een paar weken rust voorgeschreven.’ 
‘Ja, ik ken dat’, zegt meneer Bazuin en zijn vlakke hand rijst al de hoogte in. ‘Straks heb je drie weken rust gehad. Dan kom je terug. Heeft de cultuur zich in de tussentijd opgestapeld tot hier’. Tien liter boven het hoofd van meneer Bazuin. 
‘Ik ga het Bral vertellen’, zegt meneer Floret. 
‘Sterkte ermee’, knarst meneer Bazuin.

Meneer Bral is de directe chef van meneer Floret. Hij heeft de ogen van een bang dier. Meneer Floret kent die uitdrukking goed. Hij heeft het vaak gezien, in de ogen van meneer Bral en in dierenogen. 
‘Hoe luidt het vonnis, Floret?’ vraagt meneer Bral. Hij leunt achterover in zijn bureaustoel. Met beide handen krabt hij de binnenkanten van zijn polsen. Meneer Floret heeft zich over die beweging al eerder verbaasd. Het is net alsof Bral zichzelf voortdurend condoleert. Er zit iets troostend in het wiegende gebaar, maar ook iets wanhopigs. 
‘Ik moet het rustiger aan doen’, zegt meneer Floret. ‘Ik ben overwerkt.’ Meneer Bral slaat zijn ogen ten hemel. 
‘Wie niet,’ zucht hij. ‘Wie is er tegenwoordig niet overwerkt’. Zijn beide armen gaan de hoogte in. Liters en nog eens liters overwerk. 
‘Drie weken rust wil de dokter’, zegt meneer Floret. 
‘Als ik jou was dan ging ik op vakantie’, zegt meneer Bral vooroverleunend. Je bent er zelf aan toe, denkt meneer Floret. 
‘Als ik jou was dan zocht ik drie weken de zon op.’ 
‘Ik zal er eens over denken’, zegt meneer Floret. 

Meneer Floret weet heel goed wat hij aan de sterretjes gaat doen. Hij stapt op de fiets en rijdt de duinen in. Hij fietst een uur lang met zijn sluike haren wapperend in een zeebries. Het is fris. Vroeg in het jaar is alles ogenschijnlijk dood aan het duin. Dood en doornig. Het begint al te schemeren wanneer hij afstapt en zijn rijwiel verstopt in een duinpan langs het fietspad. Vanaf het duin laat hij zijn blik dwalen over het strand. Een leeg uitzicht. Geen sterveling te bekennen. Heel goed, denkt meneer Floret en begint aan de tocht door de duinen. Hij volgt een wildpaadje. Waar hij afslaat liggen hoopjes bruine keutels. Meneer Floret komt bij een dichte haag van jeneverbes en duindoorn. Na een pas of tien langs het kreupelhout te hebben gelopen zakt hij door de knieën. Hij buigt zijn hoofd tot vlak bij de grond en loert onder de struiken door. ‘Hebbes’, mompelt hij. Met zijn arm reikt hij ver in een rond gat onder het struikgewas. Hij trekt zijn arm terug. Er spartelt een konijn in zijn vuist. Het konijn heeft een strik rond zijn achterpoot en vecht als een bezetene om los te komen. Meneer Floret grijpt het konijn met beide handen rond de nek. Hij kijkt het dier in de ogen. Dan drukt hij zijn vingers tegen de hals van het konijn. De achterpoten stampen wild tegen de grond. ‘Dag Bral’, zegt meneer Floret met opeengeklemde kaken. ‘Dag Bazuin, dag Beer’. De sterretjes vloeien uit zijn handen in het konijn. Het diertje wordt er helemaal rustig van. 

Diezelfde nacht nog droomt meneer Floret over het conservatorprobleem. Hij is thuisgekomen, zoals elke avond. Heeft zijn handen gewassen onder de lauwe kraan. Heeft een bamischotel uit blik, samen met wat gemengde groente met Hollandse kruidenboter en een lik appelmoes, opgewarmd in de magnetron. Heeft zich met een biertje gedachteloos neergezet in de stoel voor het nieuws. Zou er nog nieuws zijn, vroeg hij zich af, toen hij eenmaal zat. Hij heeft al het nieuws van die avond bekeken. Mensen hebben andere mensen doodgemaakt. Hier is een dodelijke portie landbouwgif in het spel geweest. Daar bleek de eerste rij niet bestand tegen het uitzinnig opstuwende publiek. Ergens verderop stalen soldaten voedsel uit de handen van hongerende vluchtelingen. Niet ver daar vandaan moet een stille opdracht tot liquidatie zijn gegeven. Beelden van slordige lichamen in een greppel langs een zandpad. Na het nieuws heeft meneer Floret afgewassen. Hij is daar altijd heel zorgvuldig in, ook nu, nu hem drie weken rust te wachten staan. De sterretjes zijn teruggekomen. Het gebeurde tijdens de afwas. Mijnheer Floret dacht aan de slaap, straks, die hij niet zou kunnen vatten. Meteen floepten de sterretjes aan voor zijn ogen. Groen, blauw, roze, het schettert opdringerige pigmenten. Hij hunkert ernaar te kunnen slapen zoals vroeger. Toen kon het wel voorkomen dat hij direct na de avondmaaltijd in slaap viel, wakkerschrok, slaapdronken door de afwas liep, naar de badkamer stommelde, tandenpoetste en alweer sliep nog voor hij op zijn bed landde. Sinds hij van het nieuwskijken een gewoonte heeft gemaakt is slapen een probleem. En het nieuwskijken is begonnen met het wiebelen van de voet. Het wiebelen van de voet begon op het werk. 
‘Wat zie ik nou?’ had meneer Bazuin op een dag gezegd. ‘Zit je te wiebelen, Floret?’ Meneer Bazuin heeft op kantoor een goed zicht op de benen van meneer Floret vanonder diens bureau. Bazuin had het scherp gezien. Meneer Florets rechtervoet ging als een lichaamsdeel met een eigen willetje van links naar rechts. In een hoog tempo. 
‘Ja, ik zie het nu ook’, had meneer Floret geantwoord. ‘Ik wiebel.’ 
‘Nooit eerder gemerkt?’, vroeg meneer Bazuin. 
‘Nooit’ 
‘Het is een zenuwtrekje, Floret. Een zenuwachtig trekje.’ 
‘Je kon weleens gelijk hebben’, zei meneer Floret, ‘Ik wiebel, omdat jij knarst. Ik word er doodnerveus van.’ 
‘Knarsen, ik?’, grapte meneer Bazuin.

Thuis was het wiebelen gewoon doorgegaan en vanaf die dag zocht meneer Floret afleiding in het nieuws. Kort daarna had zich het slaapprobleem aangediend. In zijn droom zit meneer Floret tegenover de vergadering van conservatoren. 
‘Heren’, zegt hij. ‘Allereerst hartelijk dank voor uw komst. Sommigen van u hebben een lange reis achter de rug’. Hier knikt hij naar conservator Boendermans van het Gronings Wasbordenmuseum. Boendermans neigt minzaam naar zijn collega’s. ‘Een lange reis, maar het betreft dan ook een niet gering probleem’. De conservatoren knikken ernstig. 
‘De cultuurgeschiedenis is dood’, gaat meneer Floret verder. ‘Morsdood. Er komt geen sterveling meer op af. De bestuurstoren heeft gemeend dat we voor eens en voor altijd een eind moeten maken aan het zieltogen der cultuur en daarbij hebben wij uw hulp nodig’. Voorzichtig kijkt meneer Floret de geleerde groep rond. Hoe zouden de conservatoren het opvatten? 
‘Is dit officieel?’, vraagt Ruglever van De Open Kaaskuiperij uit Schin op Geul. ‘Dit is officieel’, verklaart meneer Floret. ‘Allen willen verandering. Het formele motto wordt thans: we gaan de geschiedenis weer leven inblazen. De musea moeten vol!’ Nu rumoert de groep. Verscheidene gewaardeerde conservatoren schuiven demonstratief hun stoel een weinig van de tafel. Een enkeling verheft verontwaardigd zijn stem. 
‘Dood is dood!’, roept Kuijvenhoven uit Volendam. ‘De paling is dood en wij tonen hem. De visserij is dood en wij tonen het. De palingvisser, hij is zo dood als een pier en juist daarom laten wij hem zien. En dat niet alleen. Heel ons Palingmuseum is er op gericht het onderzoek naar de visserij van destijds te bevorderen. Wij zijn een oord van studie en onderricht. Wat moeten wij levend maken?’ 
‘Er zijn ideeën’, oppert meneer Floret. ‘Zo hebben wij in uw geval gedacht het nettenboeten weer te reanimeren. Groepen ouderen uit Volendam die we met uw hulp bekwamen in de oude kunst. U weet heel goed dat demonstraties de voorbije tijd levend houden.’ 
‘Het idee!’, sputtert Kuijvenhoven. ‘Dat kan toch niet waar zijn? Het museum is geen circus!’ 
‘Wij zijn geen rariteitenkabinet’, mopperen nu ook anderen. 
‘Heren! Heren!’, sust meneer Floret. ‘Dit alles heeft ook praktische kanten. Aanstonds staat het dode museum aan de straat. Alle tekenen wijzen er op dat de geldkraan voor het verleden dichtgaat. Dat kan morgen al gebeuren. Ik heb u hier uitgenodigd als bondgenoten. Samen moeten wij dit gevaar het hoofd bieden. Denkt u eens aan alle fondsen die voor een springlevende cultuur beschikbaar komen. De operatie is allerminst nietig. Bestuurders zijn eensgezind waar het de steun aan levengevende plannen op museaal niveau betreft. Hier liggen onvermoede kansen voor u!’ 
‘Floret heeft gelijk’, zegt Boendermans. ‘Wie dit niet heeft zien aankomen is stekeblind geweest. Zelf zijn we al gestart met een handwasdemonstratie. Wasvrouwen van verantwoorde omvang doen op de binnenplaats van ons museum het antieke wasbord herleven. Op woensdag en zaterdag klinken bij ons de oerhollandse werksterliedjes van weleer. Er wordt geboend en gemangeld dat het een lieve lust is. O, ik zeg het u eerlijk, we hadden ook liever de maandag ingeruimd voor het aanschouwelijke wassen. Dat was natuurlijk juister geweest. Maar het museum is ‘s maandags gesloten.’ Meneer Floret knikt geestdriftig. Hier is een museum dat met de tijd meegaat. Groningen leeft! Als dit geen voorbeeld voor hen allen is. 
Guldenroede van het Voetschildermuseum in Vorden staat bedaard op. Hij plaatst zijn rechtervoet op zijn stoel. Met onheilspellende nauwgezetheid begint hij de veters van zijn schoen los te maken. Allen kijken toe. De schoen gaat uit. De broekspijp wordt omhoog gerold. De grijze herenanklet wordt met korte rukjes uitgetrokken. De wasbleke voet is nu het hoogste licht in het donkere gezelschapsstuk van conservatoren. Guldenroede zet de naakte voet op tafel. De ranzige tenen wriemelen uitdagend. 
‘Hier zet ik hem neer, mijn voet’, zegt Guldenroede. Zijn stem is somber van ingehouden woede. 
‘Jaren heb ik ermee gepenseeld. De mooiste stukken kwamen onder mijn voet vandaan. Dagelijks komt er internationaal bezoek naar Vorden om de resultaten van de voetschilderkunst door alle tijden heen te bewonderen. Maar ik zeg u nu dat ik nooit ofte nimmer een levende voetschilder in mijn museum voor het volk vertonen zal. Het is een schande. Met wat de bestuurders ons nu door de strot boren prostitueren wij de kunst. Wij zijn geen uitvaartonderneming die de dode van een blos voorziet, zijn wangen vult met watten, zijn lippen kleurt, zijn nagels manicuurt. Ik pas voor deze poppenkast.’ Tumult breekt los onder de geleerden. Terwijl Guldenroede bedaard zijn schoen aantrekt en de vergaderruimte verlaat zonder op of om te kijken, pakt de één na de ander zijn papieren en vertrekt. Er is geen redden meer aan. 

Wanneer het wanordelijk tafereel is bedaard, zitten slechts conservator Boendermans en meneer Floret beteuterd tegenover elkaar aan een lege tafel. ‘Abel’, zucht Boendermans. ‘Ik mag toch wel Abel zeggen?’ Meneer Floret knikt gelaten. Zijn voet wiebelt weer heel erg. ‘Abel, jongen’, vervolgt hij. ‘Dit hebben wij helemaal verkeerd aangepakt.’ 
‘Zeg dat wel’, zegt meneer Floret. ‘Hoe krijg ik dit ooit weer goed gepraat.’
‘Dat wordt geen sinecure. Dat wordt zwaaien naar je betrekking.’ 
‘Misschien’, zegt meneer Floret. ‘Ga je mee? Ik moet nodig weer een konijn.’ 
‘Jij ook al? Het lijkt wel of iedereen de laatste tijd de hand aan het konijn slaat.’ ‘Het is een uitlaatklep’, zegt meneer Floret droevig. ‘Het is dat er zoveel zijn. Anders ging ik minderen.’ 
Met een woeste ruk schiet meneer Floret wakker. Hij hijgt, kijkt wild om zich heen, zijn hart bonst in zijn keel. Het is diep nacht en donker. Er zijn sterren en sterretjes.  

© Taco Meeuwsen, all rights reserved.

donderdag 6 maart 2014

Vijf stadswandelingen in de vesting van Den Briel


Conceptontwikkeling, begroting, aanpak, tekstadviezen en fotografie samen met R&S Creative Media. Illustraties: Anja C. Pieké

1. De Brielse Stadswallen
De wandeling ‘de Brielse stadswallen’ neemt u mee langs de bastions, ravelijnen, poorten, steunberen en monniken, kortom de fortificaties van Brielle.
2. Loven en Bidden
De wandeling ‘loven en bidden’ leidt u langs kerken, kloosters, kapellen en een synagoge. Een verdiepend kijkje in het geestelijk leven van een Hollandse stad.
3. Handel en Wandel
De wandeling ‘handel en wandel’ geeft een beeld van bedrijving Brielle door de eeuwen heen. Eenmaal, andermaal…
4. In naam van Oranje
De wandeling ‘in naam van Oranje’ geeft u een globaal beeld van Brielle. U ontdekt de belangrijkste monumenten van Brielle en komt meer te weten over het ontstaan en de verdere geschiedenis. Speciale aandacht is er voor 1 april.
5. Duizend bommen en torpedo’s
Tot slot laat de wandeling ‘duizend bommen en torpedo’s‘ u verschillende herinneringen aan het militaire verleden van Brielle zien. Geeft acht! 


zaterdag 15 februari 2014

DE NIEUWE FABELDIEREN VAN JOS VAN DOORN


Inleidend artikel in de catalogus bij de expositie: 'De aard van het beest - dieren als spiegel van de ziel' in CODA Museum te Apeldoorn, 2009. Gastcurator: Jos van Doorn

door: Taco Meeuwsen 

Er gaat een heel oud verhaal dat de allereerste mens zich na het gedwongen vertrek uit de paradijselijke tuin van Eden uit schaamte hulde in dierenvellen. Het lijkt aannemelijker dat de dierenvellen beschutting boden tegen de weersinvloeden in de woestenij buiten het paradijs en dat de schaamte pas veel later zijn intrede deed. Want er is nog een verhaal. Dat verhaal is in 2009 150 jaar oud. Daarin vertelt de wetenschapper Charles Robert Darwin (1) hoe een aapachtige mens, of een mensachtige aap, ruim viereneenhalf miljoen jaar geleden de groene wouden verlaat en voor het eerst rechtop de weidse savanne betreedt. Van paradijs naar woestijnvlakte. Uit de bossen naar de savanne. Kleding en gereedschappen worden voor de overleving van deze nieuwe mensvorm dringend noodzakelijk. En dieren bieden daarvoor de grondstoffen: huiden, hoorns, klauwen, beenderen, pezen.

‘Verhalen over dieren zijn zo oud als de mens’, zegt beeldend kunstenaar Jos van Doorn. Hij is dit jaar de gastcurator van CODA, museum voor geschiedenis en voor moderne en hedendaagse kunst in Apeldoorn. Voor CODA ontwikkelde Jos van Doorn de tentoonstellingsreeks: ‘De aard van het beest - dieren als spiegel van de ziel’. We zijn in het Gelderse Slijk-Ewijk en we praten in het propvolle atelier van de kunstenaar over de achtergronden van dit idee. Overal om ons heen: moderne sculpturen van dieren, bronzen zwanenpoten, opgezette vossen en dassen, hertengeweien, huiden, lappen leer, dierenboeken, dierstudies - een echte beestenboel.

Mens en dier
Jos van Doorn: ‘In de menselijke geschiedenis heeft het dier altijd een enorm belangrijke plaats ingenomen. Denk bijvoorbeeld aan de eerste rotsschilderingen in grotten van Lascaux en Altamira (2). Eén van de vroegste voorbeelden van hoe de mens dieren in jachttaferelen schilderde om daarmee meer invloed te krijgen op het succes van de jacht. Zo begrijpen wij dat tenminste. Jachtscenes zijn de eerste zichtbare tekenen van menselijke cultuur. En dat is ook logisch want met de jacht is het allemaal begonnen. Gevaarlijke groepsjachten op groot wild, mammoeten, reuzenherten en stieren van het oerrund. Jagen om in ons eerste levensonderhoud te kunnen voorzien. Stel je zoiets maar eens voor: dat lijkt niet op kievitseieren rapen maar is een strijd op leven en dood. De verhalen van de jacht, van de successen en van de mislukkingen, liggen aan de basis van al onze dierenverhalen. Naarmate de menselijk cultuur complexer en verfijnder werd, veranderde en groeide ook de rol van het dier in onze cultuur. We gingen dieren domesticeren: we zijn huisdieren gaan houden. Handtamme runderen en makke schapen. Sommige dieren werden heilig, Egyptische katten bijvoorbeeld, die met zorg werden gemummificeerd. Of de heilige Birmaan, een siamees die in Tibet werd vereerd. Of goddelijk zoals Horus, de Egyptische valkgod. Hij was de hemelgod die in het oude Egypte zijn vleugels over de aarde uitspreidde. Andere dieren kregen een minder gunstige naam. Slangen zijn in veel culturen het symbool van het kwaad. Ratten en pokdalige padden worden met ongeluk geassocieerd. Vleermuizen en bloedzuigers met vampiers. Eksters en kraaien zijn nog altijd voorbodes van de dood’.

Dieren zijn net mensen
Er heeft zich kortom een rijke fantasiewereld rond de dieren in het leven van de mens ontwikkeld. Maar er is nóg een culturele ontwikkeling waarop de kunstenaar wil wijzen. Jos van Doorn: ‘We zijn dieren ook gaan vermenselijken. In fabels zijn de dieren gaan spreken als mensen en kregen verschillende dieren menselijke karaktertrekken mee. De sluwe vos, de wijze uil, de koppige ezel, het luie varken, noem maar op’. Hoewel fabels al heel oud zijn, mogen we die van de Franse Jean de la Fontaine uit de 17e eeuw misschien wel het bekendste voorbeeld noemen van verhalen waarin dieren als karikaturen van mensen optreden en morele menselijke dilemma’s aan de kaak stellen. Dichter in de buurt van onze tijd is de Engelse roman ‘Animal Farm’ van George Orwell een klassiek geworden dierenvertelling met een diep menselijk drama als kern. Jos van Doorn: ‘Fabels hebben natuurlijk niets met het dier te maken. Ze gaan over mensen. Ze spiegelen op vaak komische wijze het menselijke gedrag. Maar door fabels hebben dieren van ons mensen wel ongevraagd een bepaald imago gekregen’.

Dieren als spiegel van de ziel
Jos is als beeldend kunstenaar gefascineerd door al die lagen van verhalen waarmee we de dieren hebben omkleed. Als tentoonstellingsmaker ziet hij bovendien dat veel kunstenaars op dit moment het dier opnieuw introduceren in hun werk. Het dier mag weer en de aard van het beest in de kunst is tegenwoordig van een andere orde dan vroeger. Jos van Doorn: ‘Kunstenaars introduceren nu een nieuw soort fabeldier. Waren de dieren in de klassieke fabel eigenlijk verklede mensen op hoefjes of met een staart en vleugels, de dieren van de kunstenaars die we in deze tentoonstelling presenteren vertellen iets anders over de menselijke maat. Ik constateer een nieuwe invalshoek: ‘de opgezette mens’, de mens zelf als diersoort waarbij diervormen worden ingezet om een complex menselijk verhaal te vertellen. In beelden. Om het anders te zeggen: het persoonlijke verhaal van de kunstenaar wordt een nieuwe fabel. Daarin komen nieuwe dierfiguren aan bod. Verzonnen dieren, slappe dieren, dierlijke poppen en mensdieren. In die zin zijn de beelden van dieren in deze tentoonstelling een spiegel van de menselijke ziel. Ze vertellen iets over de aard van het beest. Het beest is natuurlijk de mens, want dieren kunnen geen beesten zijn. Alleen de mens kan een beest zijn. En wat voor een’.

Modedieren
Nog even terug. Heeft het feit dat we dieren zijn gaan gebruiken er toe bijgedragen dat we dieren zijn gaan vereren? Het klinkt logisch. Dat waar je dagelijks mee omgaat, wordt vergeestelijkt. Een wandelstok wordt een staf, een jas wordt een mantel en een hoed een kroon. Bepaalde wortels en kruiden worden taboe en bepaalde dieren worden totems. Daarmee ritualiseert de eerste mens het dagelijks leven en verfijnt onze cultuur. ‘Koos van Zomeren heeft het mooi geformuleerd’, zegt Jos. ‘Er is sprake van een eeuwige lotsverbondenheid tussen mens en dier. Het is veel directer dan het dier als jachttrofee of huisgenoot alleen. Het dier was basisvoedsel nummer één en is dat nog. Zonder de voedselbron uit dierlijk leven zou de mens een schraal bestaan ontwikkeld hebben. Zeker op die plaatsen in de wereld waar landbouw vrijwel onmogelijk is. Het slachten van dieren is in vrijwel alle culturen die dichtbij de natuur staan met indrukwekkende rituelen omgeven. Slachten en offeren liggen heel dicht bij elkaar. Het is dan ook logisch dat het dier een ereplaats in onze verhalende cultuur heeft gekregen. En niet alleen in onze verhalende cultuur maar ook in de mode. Daarin heeft het dier, of liever gezegd de huid van het dier, de klauwen en tanden van het dier, zelfs de schedel van het dier, statusverhogende kleding en versierselen mogelijk gemaakt. Bontjassen, tooien van pauwenveren, kettingen van berenklauwen en ga zo maar door. Een mooi voorbeeld van de verering van het dier in de klederdracht is te vinden bij de verschillende Indiaanse gemeenschappen in Noord-Amerika. Animistische culturen met een diepgewortelde band met Moeder Aarde waar sommige dieren, de adelaar, de poema, de buffel, spirituele wegwijzers waren. Daar was de verentooi bijvoorbeeld een teken van diep respect voor en verbondenheid met de dierenwereld. De identificatie met het dier is in wat wij tegenwoordig primitieve culturen noemen veel rijker en directer dan onze eigen band met dieren’.

Braadkriel
Voor Jos van Doorn is het ‘gebruiken’ van dieren heel vanzelfsprekend. Hij is opgegroeid tussen de beesten; honden, katten, varkens, kippen. In het Brabantse Vught hield zijn vader er naast een moestuin een kleine veestapel bij voor eigen gebruik. Dat je dieren moet opfokken om ze later te kunnen slachten, plukken en braden, is iets wat de kleine Jos dagelijks om het ouderlijk huis zag gebeuren. En hoewel hij tegenwoordig voorzichtig is over bijvoorbeeld de noodzaak van de jacht in Nederland, heeft hij wel een broertje dood aan hypocriete, politiek correcte idealisering van al te menselijke sentimenten over het dier. Jos houdt kippen om het tot door hemzelf tot atelier-woning omgetoverde lagere schooltje in Slijk-Ewijk. Hij raapt elke ochtend de eieren en zo nu en dan gaat er een kipje in de pan. Dat pluimvee moet geslacht en geplukt worden en dat is een heel ander ritueel dan het kopen van een pond hygiënisch ontvelde kipfilet uit de supermarkt die je effetjes een half uurtje in een marinade uit een pakje laat weken. Tegenwoordig zijn er mensen die serieus denken dat een maïskip een bepaald kippenras is, zoals de Barnevelder of de Antwerpse braadkriel. Geen flauw benul van het feit dat de gelige kleur en de aparte smaak van de maïskip komt omdat die kip vlak voor de slacht uitsluitend maïs gevoerd krijgt. Wat maïs is? Maïs is een graanproduct dat tot de grassen behoort en dat groeit in grote kolven aan metershoge halmen...

Vergeten levenslessen
‘We zijn een vitale ervaring kwijt’, zegt Jos, ‘Heel veel mensen weten tegenwoordig echt niet meer dat wat er op je bordje ligt, geslacht moest worden of geoogst is. En als ze dan zien dat er een dier geslacht wordt, gaan ze heel verontwaardigd doen. Of ze griezelen ervan. Wanneer je zo erg vervreemd geraakt bent van het directe leven met dieren, dan moet je niet vreemd opkijken wanneer de samenleving potsierlijk en verkrampt reageert op een spettertje bloed’. Maar met die vervreemding bedoelt Jos ook de ontwikkelingen in de moderne veeteelt waarbij we dieren tot producten hebben verlaagd. Varkensflats en pluimveefabrieken waar slechts wandelende koteletjes en braadkuikens worden opgefokt. Het dier gereduceerd tot een geel oormerk met een kampnummer, een afgeknipte snavel of een brandmerk op de bil, zonder een greintje eigen identiteit en zonder enige kwaliteit van leven. Ook daarvan gruwt de kunstenaar. En ook die gevoelens vertaalt hij in zijn diersculpturen.

Lees jezelf
Jos van Doorn: ‘Iemand heeft het eens heel erg doeltreffend gezegd: “Kunst is er om ons aan onszelf te openbaren”. Wij zien en ervaren met behulp van onze eigen bagage. Die bagage is alles wat we in dit leven hebben geleerd. Ieder doet dat op zijn of haar eigen manier. Wanneer iemand naar kunst kijkt, ziet hij iets anders dan wat de kunstenaar heeft gemaakt. De beschouwer ziet wat hij kan waarnemen. Soms valt dat samen met de bedoeling van de kunstenaar maar heel vaak ook niet. En dat is mooi. De dierenbeelden en sculpturen die wij bij CODA bijeenbrengen, zullen bij de bezoeker voor een storm van associaties zorgen. Sommige van die associaties hebben helemaal niets te maken met de oorspronkelijke intentie van de kunstenaar. Dat kan ook bijna niet anders want ieder mens heeft, zeker als het om dieren gaat, een heel complexe bibliotheek van informatie en beelden in het hoofd’.

Lieve jager
Laten we eens kijken hoe dat voor een afzonderlijk kunstwerk van Jos van Doorn opgaat. De titel van het werk is ‘Dear Hunter’ en dat betekent letterlijk ‘Lieve Jager’. Maar de titel is ook een verwijzing naar de beroemde flim ‘The Deer Hunter’ uit 1978 met Robert De Niro, Christopher Walken en Meryl Streep. In die film wordt de hertenjacht van vier Amerikaanse vrienden ten tonele gevoerd als een subtiele metafoor voor het krankzinnige en zinloze geweld tijdens de Vietnamoorlog. Het beeld van Jos is ogenschijnlijk een enorme jachttrofee gemaakt van een grote hoeveelheid verlijmde schedels van reeën, gemzen en herten. Alle schedels kregen van de kunstenaar bovendien ook een paar glazen hertenogen. Dus de hele collectie schedels, die samen één indrukwekkend grote kop van een hert vormen, kijkt de toeschouwer indringend aan. Uit wel vijfentwintig paar ogen. Het overmaatse gewei van het kunstwerk bestaat uit een combinatie van drie verschillende geweien. De hals van het hert is bezet met schedels waarvan de gaffel-geweien dreigend naar buiten priemen. Wat zegt dit werk? Is het een smeekbede aan de jager om toch maar vooral niet de trekker over te halen? In de film besluit Robert De Niro, nadat hij met veel inspanning en moeite een trotse bok in het vizier krijgt, om niet te schieten. Of is het werk van Jos wellicht een ode aan het mythische edelhert van de Veluwe, groot, krachtig en trots? Het hart (3)  uit de Hubertuslegende. De grootste nog in het wild levende diersoort in Nederland.

Alles ineen
Jos van Doorn: ‘Mijn fabeldieren gaan over het heden, maar kunnen niet los gezien worden van alle mythische verhalen waarmee ze door mensen zijn omgeven. Dit hert is mijn vertaling van schoonheid en vitaliteit. Maar voor mij gaat het beeld over overleven. Ik weet het ook niet precies waarom het mystieke van een groot mannelijk hert mij zo aanspreekt. Het alles tegelijk. Al heel lang vormt bijna alles aan het hert een begeerlijke buit voor mensen. Het vlees van dit roodwild is zeer gewild. De vacht wordt gekoesterd. De pezen en de beenderen werden voor allerlei toepassingen gebruikt en het gewei was een bron voor gereedschappen en huishoudelijke stoffen . En de hertenkop met gewei is bovendien een klassieke, felbegeerde trofee’.

Zelfportretten van de ziel
Een rijke bron van verhalen, mythen en legenden, gecombineerd met een archetypisch beeld van het hert maken samen met de eigen gevoelens die Jos van Doorn heeft bij het zien van herten dat ‘Dear Hunter’ ook nog een zelfportret is. De spiegel van zijn ziel. Jos vertelt: ‘Ik ben al jaren een verwoed wandelaar en ga daarvoor graag naar de Alpen. Wanneer ik in de bergen op grote hoogte de kans krijg om een roedel edelherten te observeren of een kudde gemzen, dan is dat een topervaring die ik bijna niet onder woorden kan brengen. Daarom laat ik dat ook zien in mijn beelden’.

Superman
Eigenlijk zijn alle fabeldieren van Jos een soort zelfportretten. Neem nou de ‘Blue Male’, de ‘Blauwe Man’. Een uit scherven van Delfts aardewerk opgetrokken panter in een uitdagende houding, de klauwen gestrekt, de bek gesperd. Jos van Doorn: ‘Aan dat beeld gaat heel wat vooraf. Allereerst al mijn gedachten over wat ik als man in dit leven van vandaag te doen heb. Of hoe het staat met de man van tegenwoordig. Dan bijvoorbeeld al mijn gevoelens over de pronkzucht en de pracht van zo’n sierlijke, sterke panter. Geruisloze sluiper, geduchte tegenstander, gewapende rover, maar ook een vruchtbare vader; kortom een sublieme overlevingsmachine. Dat blaas ik allemaal op. Ik geef het dier die stoer opgezette manen van porselein, een extra stel hoorns voor een nog imposantere houding, piercings van goud in zijn geslacht en zijn neus en een staart van bijna kitsch aandoend suikerwerk. En vervolgens bekleed ik het hele lijf met scherven Delfts blauw aardewerk en daarmee geef ik het zelfportret vorm. Brokkantig. De breekbare man, de lullige, kwetsbare kant van elke macho’.

Multipop
De tegenvoeter van de ‘Blauwe Man’ is het beeld ‘Pink Female’ of ‘Roze Vrouw’. Een baviaan-vrouw met een vervaarlijk gesperde bek. Ze staat fier rechtop in een bevallige pose. Bijna een moderne Lucy (5), waarin de kunstenaar aap en vrouw gepaard lijkt te hebben. Jos van Doorn: ‘Ik heb niet alleen de schoonheid en de aantrekkingskracht van de vrouw willen verbeelden, maar ook haar niets ontziende broedzorg - de kracht waarmee een vrouw vecht voor haar kroost. Bovendien wilde ik al haar verleidingsmiddelen open en bloot tonen en versterken’. De ‘Pink Female’ is volledig opgebouwd uit porseleinen onderdelen van vrouwelijke poppen. De armen zijn met poppenarmpjes bezet, de benen met poppenbenen, de romp met poppenrompjes enzovoorts. Een multipop met tanden. Allemaal breekbaar en vleesroze getint porselein, terwijl poppenhaar deze baviaanmoeder voorziet van een strook van rughaar van haar schedel tot aan haar stuitbeen. In een wereld waarin vrouwelijk lichaamshaar taboe is geworden, waarin de bikinilijn tot een streepje stoppels is gereduceerd en het ‘anusbleken’ de nieuwste trend is, wekt ‘Pink Female’ heel wat mixed feelings onder (met name) het vrouwelijke publiek. Jos van Doorn: ‘Die heftige reacties op het beeld geven aan dat mijn weergave heel wat losmaakt. Ik vind dat alleen maar goed en vanzelfsprekend. Het beeld bevat alles in een vrouw waar ik als man mee worstel en door wordt geraakt’.

De kracht van het materiaal
In het porselein, dat net als glas heel kenmerkend is voor de diersculpturen die Jos samenstelt, komen voor de kunstenaar vijf energiebronnen samen die uit zijn bestaan niet zijn weg te denken. Jos van Doorn: ‘Dat zijn natuurlijk de vier klassieke elementen, water, aarde, vuur en lucht maar ik voeg daar zelf de menselijke maat aan toe als vijfde element. Zonder die vier elementen is er geen leven mogelijk. Maar zonder die vijfde bron, de menselijk psyche, de menselijke fantasie, zou onze cultuur niet zijn geworden wat het is. De menselijke maat is verantwoordelijk geweest voor heel veel afschuwelijke zaken, maar ook voor onnoemelijk veel moois. Vandaar mijn keuze voor porselein en glas. Beide materialen worden door mensenhanden gevormd uit de vier elementen. Ze zijn van een etherische schoonheid die alleen maar door mensen kan zijn bedacht en uitgevonden. Porselein en glas zijn puur mensenwerk. Niet te vergelijken met goud en zilver, edelmetalen die kant-en-klaar als erts gedolven kunnen worden. Porselein en glas zijn scheppingen van klei en zand en water en vuur en zuurstof, gestold tot een materiaal van ongelooflijke kracht en schoonheid’.

Glasoog
Glas is het materiaal dat bijvoorbeeld in het beeld ‘Argus’ is gebruikt. Een vosachtige, soepele sculptuur vrijwel compleet beplakt met glazen ogen. De glazen ogen zijn één voor één met de hand beschilderd en al die unieke ogen kijken de beschouwer aan. De titel van het beeld verwijst natuurlijk ook naar de mythologische reus Argus Panoptes (6)  of Argus (7)  (Grieks: Argos), die over zijn gehele lichaam honderd ogen bezat, waarvan er nooit meer dan twee tegelijk sliepen. Jos van Doorn: ‘Een enorme reus die ondanks zijn kracht zo bang en kwetsbaar was dat hij honderd ogen nodig had om waakzaam te blijven, dat beeld vind ik zo prachtig. En het vertelt ook iets over mijn eigen waakzaamheid, mijn alertheid, mijn slimmigheden, maar uiteindelijk natuurlijk ook over mijn kwetsbaarheid en mijn beperkingen. De ogenparen in mijn Argusbeeld zijn ook weer verwijzingen naar allerlei diersoorten, want elk dier heeft zijn eigen specifieke ogen. De ogen van een schaap zijn heel anders dan de ogen van een hert of een pad of een slang. Ik hoef die ogen gelukkig allemaal niet zelf te maken. Dankzij Duchamp (8), kan de kunstenaar tegenwoordig alles waar hij zijn handen op legt tot kunst verheffen. Dus die kunstogen mag ik groot inkopen en er vervolgens mijn ding mee doen’.

Het concept van het dier
Interessant is in dit verband het feit dat Marcel Duchamp al in 1917 een einde wilde maken aan de zogenaamde 'retinale' kunst (mooie plaatjes voor het netvlies) en een lans brak voor de 'mentale' kunst (beelden die toeschouwers aan het denken zetten). Met de honderden kunstogen in zijn ‘Argus’ wil Jos van Doorn eigenlijk hetzelfde bewerkstelligen. Jos van Doorn: ‘Mij gaat het primair om het idee. Het concept. Ik haal dingen uit hun oorspronkelijke context en vertel er een nieuw verhaal mee. Ik schep nieuwe dieren. Het is aan de toeschouwer om er door geraakt te worden of niet. Door kunst gaan we anders kijken, luisteren, begrijpen. Een woord treft ons. We proeven het op de tong en geven het door. Een beeld raakt ons. We bewaren het en roepen het op als we pijn ervaren of geluk. Een geluid vliegt naar binnen. Het zet ons in trilling, in beweging: we dansen. Niet alleen fysiek bewegen, maar zeker ook het bewegen in onze bovenkamer, onze hersenen. Zonder reflectie, fantasie, introspectie en bewustzijn zouden we nog steeds in een berenvacht rondlopen’.

Amrita
De kunstenaar leeft niet op een eiland, maar kijkt ook om zich heen, naar andere kunstenaars, naar de kunstgeschiedenis, naar de wereld. Jos van Doorn: ‘De workalcholic Picasso is voor mij een groot voorbeeld van de bezetenheid die een kunstenaar aan de dag kan leggen in het ontrafelen van de wereld. Een alleskunner die nooit tevreden was met wat hij had gemaakt. Zo zie ik kunstenaars zoeken, op de tast, onzeker eigenlijk, maar altijd heel persoonlijk’. Ook het viriele, dat super-mannelijke van een kunstenaars als Picasso fascineert hem. Jos van Doorn; ‘Ik vraag me vaak af waarom wij mannen zo gericht zijn op vrouwen. Waarom zijn we collectief zo amechtig afhankelijk van dat wezen van andere kunne? Het is een bijna hongerig soort van aandacht waarmee mannen vrouwen omgeven. Picasso’s bezeten fascinatie voor vrouwelijke modellen is daar een prachtig voorbeeld van. Erotisch geladen beelden, beelden van lelijke vrouwen, dikke vrouwen, reuzinnen en godinnen. De hele kunstgeschiedenis is zwanger van die hijgerige paardrang van de man. In mijn beeld Amrita (9) probeer ik die hyperseksuele lading van man en vrouw bijeen te brengen. Het vruchtbare vrouwelijke vocht wordt gesymboliseerd door de vaas waar de vosachtige sculptuur bijna in een soort paardrang overheen gebogen staat’. De fixatie van de kunstenaar met de vrouwelijke en mannelijke seksualiteit verbeeld in de figuur van een viriele vos op het heetste moment van loopsheid. De feromonen spatten bijna van de sculptuur. Alles verpakt in een breekbaar web van honderden scherven handgeschilderd Chinees porselein.

Bestiale inspiratie
Het dier als muze van de kunst. De literatuur is er dit jaar vol van met het getjielp van de huismus als yell voor de Boekenweek 2009. Midas Dekkers schreef er het boekenweekessay ‘Piep’ voor. De samenloop met ‘De aard van het beest’ is toevallig. Jos van Doorn ziet veel hedendaagse kunstenaars het dier als een moderne metafoor en als nieuwe inspiratiebron gebruiken in het eigen werk. Jos van Doorn: ‘Ik zie duidelijke verwantschappen tussen die kunstenaars. Het zijn verwantschappen en eigentijdse persoonlijke uitspraken van kunstenaars die ik graag eens onder één dak zou willen tonen. CODA geeft me daar een fantastisch podium voor. Ik zie het ook als een kans om het publiek kennis te laten maken met die groep hedendaagse kunstenaars en de verhalen die ze vertellen. Het zijn verhalen die met gebruikmaking van het dier heel nadrukkelijk gaan over onze huidige tijd. Stuk voor stuk zullen het kunstenaars zijn die er in slagen om de spiegel van hun eigen ziel op beeldende wijze aan het publiek voor te houden’.

Een nieuwe traditie
Met ‘De aard van het beest’ brengen CODA en Jos van Doorn een tentoonstelling die als ‘Les Animaux Amoreux’ (10) van Philip Glass een tot de verbeelding sprekende stoeterij van ambachtelijk vervaardigde diermensen en mensdieren toont. Tegelijkertijd stelt ‘De aard van het beest’ de pregnante vragen van dit tijdsgewricht aan de orde: de androgyne mens, de digitale Global Society met kunstmatige Tamagotchies, Panda Pokens en heftige computergames. Met Second Life als een wereld waarin je jezelf kunt omtoveren in waar je zin in hebt: de opgezette mens, vlindervrouwen en stiermannen, slangenmensen en baardapen. Jos van Doorn en CODA signaleren ook een nieuwe materiaalgevoeligheid in de beelden van vandaag. Het ‘nijvere handwerken’ beleeft in de hedendaagse sculptuur een enorme opleving. Die subtiele handwerktechnieken stammen veelal uit een typische vrouwencultuur maar worden nu op artistieke wijze in het grote gebaar vertaald. Autonome kunstvormen zijn het geworden. Beelden worden niet meer ruw weggehakt uit weerbarstig marmer of hardsteen maar opgebouwd met naald en draad, met lijm en polyester. De hedendaagse dierkunstenaars die CODA met gastcurator Jos van Doorn bijeenbrengt, maken beelden die worden gestikt, gebreid, geborduurd, geknoopt en geplakt met restjes stof, leer, haar, huid en natuurlijk scherven.

Barbie en Bambi
De ‘tactiele beelden’, zoals gastcurator Jos van Doorn ze noemt, zijn sculpturen van textiel en huid, rafelige vormen uit het atelier van de naaister en de taxidermist. De techniek wordt ook wel mixed-media genoemd. Alle dierlijke werken in ‘De aard van het beest’ zetten de traditie van de beeldhouwkunst in een geheel oorspronkelijk daglicht. Wie had gedacht dat het ambacht in handen van de hedendaagse kunstenaar zo’n scala aan nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden en diepgang zou bieden? CODA denkt met ‘De aard van het beest’ een maatschappelijk relevant debat te tonen over de humaniteit van de hedendaagse mens. Nieuwe fabeldieren houden de bezoeker een spiegel voor. CODA wil ook een actuele trend in de hedendaagse beeldende kunst signaleren waarbij de klassieke beeldhouwkunst naar de achtergrond lijkt verdrongen, ten faveure van een heel persoonlijk en ambachtelijk vormgegeven beeldtaal. Barbie (11)  en Bambi krijgen in ‘De aard van het beest’ een verrassend nieuwe context.

Noten:

1 In 2009 vieren we het 200ste geboortejaar van Charles Robert Darwin, de Engelse natuuronderzoeker, bioloog en geoloog die vooral bekend is geworden van zijn theorie dat de evolutie van soorten wordt gedreven door ‘natuurlijke selectie’ - het recht van de sterkste. Zijn boek ‘On the Origin of Species’ (uitgegeven op 24 november 1859) is in 2009 150 jaar oud. Het boek vormt de basis voor de theorie dat wij mensen uit apen zijn geëvolueerd.

2 De rotsschilderingen in Altamira dateren uit het Paleoliticum (500.000-10.000 v Chr) ongeveer 150.000 jaar geleden. Op vuistbijlen en pijlpunten na zijn geen andere artefacten van menselijke cultuur uit die periode bekend. Een rijke oogst aan vondsten van cultuurvoorwerpen is van veel later, het Mesolithicum (10.000-5.000 v Chr) en het Neoliticum.

3 ‘Hart’ is het Engelse woord voor een mannelijk hert van tenminste vijf jaar. De etymologie van het woord ‘hart’ voert terug naar het woord ‘heorot’ een Angelsaksische jongensnaam die ‘hert’ betekent, maar ook de naam is van een legendarische ontvangsthal die wordt beschreven in het Angelsaksische gedicht Beowulf als 'de hal der hallen onder de hemel' (Noorse mythologie). In enkele Zuid-Nederlandse dialecten betekent ‘hart’ nog altijd ‘hert’.

4 Zoals bijvoorbeeld ammoniak, ook wel hertshoorngeest genaamd omdat het vroeger uit geweien werd gewonnen.

5 In 1974 zagen de antropologen Johanson en Gray in Hadar een stuk ‘menselijk’ armbot uit een rotshelling steken. Het zou één van de opmerkelijkste vondsten uit de 20ste eeuw blijken. Deze aapmensvrouw kreeg in 1978 de wetenschappelijke naam Australopithecus afarensis (zuidelijke mensaap uit Afar). Beter bekend onder haar bijnaam 'Lucy', afkomstig van het Beatles-nummer ‘Lucy in the Sky with Diamonds’, dat in het kamp veel werd gedraaid.

6 Panoptes: alziend. Het Griekse woord pan betekent 'alles' en het Griekse optes betekent 'ziend'. 

7 Argus werd door Hermes gedood nadat Hermes hem door zijn fluitspel zo diep liet inslapen dat al zijn ogen dichtvielen. Hera plaatste later als eerbetoon de honderd ogen van Argus op de staart van het haar toegewijde dier, de pauw. Nog altijd is de pauwenstaart bezet met ‘ogen’ en is de waakzaamheid van de pauw spreekwoordelijk. De uitdrukking ‘iets met argusogen gadeslaan’ wil dan ook zeggen dat men ergens waakzaam en met enige argwaan naar kijkt.

8 De dadaïst Marcel Duchamp, de grondlegger van de Readymade (Frans: object trouvé),

9 Amrita is de vrouwelijke vorm van het Hindoe-woord Amrit. In het Sanskriet betekent Amrita letterlijk ‘zonder dood’. Bedoeld wordt de godendrank, nectar of ambrosia, die onsterfelijkheid verleent. Amrita staat in de Tantra voor het vocht waarmee vrouwen ejaculeren, een goddelijke nectar. Het is kleurloos, reukloos en smaakt neutraal of zoet.

10 Les Animaux Amoureux - een documentaire over liefde tussen dieren die je beleeft als een romantische speelfilm. De dieren in de film zijn alle verwikkeld in het proces van het vinden van een partner, deze veroveren en gelukkig samenleven. De film toont ruim 80 verschillende diersoorten, onder begeleiding van de muziek van Philip Glass. Het feitelijke commentaar duurt bij elkaar maar enkele minuten. Meer dan 300 personen hebben meegewerkt aan deze film die in een vijftiental landen is opgenomen.

11 Barbie, de Disneyficatie van de vrouw door Mattel. Barbie werd in 2009 50 jaar.


© Taco Meeuwsen, all rights reserved.

maandag 20 januari 2014

EENHOORN TELT

Foto door Kglavin februari 2005

‘Zal de eenhoorn U willen dienen? Zal hij vernachten aan uwe kribbe? Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter U eggen? Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijne kracht groot is en zult gij uwen arbeid op hem laten? Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen en vergaderen tot uwen dorsvloer?’ (Job 39; 12-15/Statenvertaling)
Eenhoorn zat er een tijdlang; in het schuurtje achter het rijtjeshuis, op een wankel, houten kratje, in de kille vochtigheid die al zulke halfbakken, eensteens optrekjes kennen en waardoor verwaarloosde hamsters, cavia'a, woestijnratjes en konijnen stilletjes wegkwijnen, zodat ze tenslotte snotterend in een fel nachtvorstje blijven. ‘Cavia's houden nu eenmaal een winterslaap’, sussen verstrooid rijtjesvaders hun gealarmeerde kroost, wanneer de lente aanbreekt en de gedomesticeerde kleinveestapel zieltogend blijkt. ‘Maar pappa, Rover slaapt helemaal niet, Rover is helemaal stijf!’, dringt het kroost huilerig aan. En vaders moffelen gevoelvol de Rovers, Dropjes, Vlekjes, Witjes, Tommies en Fiffies weg in het slappe PVC van de gemeentelijke vuilnisophaaldienst. ‘Denk maar vast na over een nieuw naampje’, proberen vaders nog, als het kroost ontroostbaar is bij de aanblik van een plechtige rij vuilniszakken, op donderdagochtend, op de stoep voor de rijtjeshuizen.
Eenhoorn zat er met een loopneus en een onbestemde pijn in zijn zijde over vroeger gebogen. Door zijn benige vingers gleden vergeten, maar nooit verdwenen enveloppen. In klamme, kartonnen dozen hadden stapels enveloppen jaren staan verpieteren, nu eens op die zolder, dan weer in dit schuurtje. De inhoud van de meeste enveloppen was mistig: uitgelopen, gevlekt en beschimmeld door de jarenlange opslag. Maar ze waren er nog allemaal, de liefdesbrieven die ze hem zonden en de verdrietige brieven en de boze afscheidsbrieven en de kleurige kattebelletjes met een nieuwe hoop, opflakkerend in een kneuterig, rood hartje met een blauwe ballpointpijl erdoor. Schutterige en breedlopende bekentenissen, vinnige terechtwijzingen en wurgende napraterij; de ballast van de liefde, bijeengehouden met bruin elastiek waar het weer inzat en dat kruimelig knapte bij de minste aanraking. Gesorteerd per maagd in keurige pakjes van tien. Sommige maagden hadden wel tien pakjes. Honderd brieven naar steeds wisselende adressen. Een liaison van jaren met de PTT als postillon d'amour. Door zijn vingers gleed het briefpapier dat knisperde als dor blad, als vergeeld perkament en soms lazen zijn ogen een regel: ‘Je doet er goed aan niet meer te bellen. Ik zou je stem over de telefoon niet meer verdragen. Schrijf me maar. K.’ Soms liet hij er tien tegelijk ongezien in de gereedstaande vuilniszak glijden. Met een zorgvuldig omgerolde rand lag de grijze zak als een vis op het droge naar adem te happen. In zijn hoofd, dat witte vorstwolkjes veroorzaakte, gleden de damesvisioenen voorbij, nog even vers en verscheurend als op de hoogtijdagen van het proza in zijn handen. ‘Waar ben je? Ik mis je zo! Zeg me hoe ik moet rijden tot St. Malo. Ik kom nu naar je toe. Ik ben er zo!’ Ze had de hele nacht doorgereden na zijn impulsieve telefoontje. Hij had de hele nacht gewaakt in zijn kale flatje aan de rue St. Denis. Zoveel Gitanes gerookt dat hij violen hoorde krassen. Duimen gedraaid tot hij klokken hoorde luiden. Geijsbeerd tot het noorderlilcht was verschenen. Die ochtend, in het eerste licht van een Franse Valentijnsdag, hadden ze niet van elkaar af kunnen blijven met gloeiende handen en gulzige monden. De dagen erna was het zwijgen uitgemond in de bekende, stuurse onverschilligheid en een afgewend afscheid. Een afstand die opnieuw tot schrijven noodde. En opnieuw. De pijn in zijn zij vlamde op zodat hij moest verzitten. Zijn handen waren versteend en stram van de kou. In het gangetje achter de schuurtjes riep uitdagend een buurmeisje zijn naam en zette het op een holletje. Die wilde wel dat het verstoppertje zou worden, maar Eenhoorn had genoeg verstoppertje gespeeld en blies zich warm in het holletje van zijn handen. ‘Wat ik je wilde zeggen valt met geen pen te beschrijven. Daarom dit.’ De brief geurde nog altijd naar ‘Anaïs-Anaïs’, het parfum dat klinkt als een wanhoopskreet en ruikt naar uitbottend zoethout. Een drietal geplette en gedroogde viooltjes glipten als levenloze vlinders uit de gebalsemde envelop op de ruwe, betonnen vloer. Nu lag de plastic vis in een bloemenweide en bewoog niet langer. Wanneer zou hij gaan stinken?
‘Het is een dier dat zich met schoppen en bijten gruwelijk verweert, hebbende een ijzenlijken hoorn midden op het voorhoofd uitstekend, die niet hol is van binnen, maar ruwer dan een ijzeren vijl, echter op de wijze van een slakkenhuis gebogen en gestreept, scherper dan een pijl, alzo de punt niet gekromd is.’ (Philaetas, 330-375 v.C./vert. M. Houttuyn 1765)
Toen Eenhoorn geboren werd was dat hard nodig. Vader Jongeheer had al een speeltje, Eenhoorns oudere broer Pieter-Bas, maar moeder zat nog zonder. Moeder Jongeheer had gedurende de uitputtende zwangerschap de Heer gesmeekt om twee dingen: een dochter en een in alle opzichten uitzonderlijk kind. Moeder was middelmaat, vader was middelmaat en Pieter-Bas leek vooralsnog nergens in uit te blinken of het moesten zijn luidkeelse driftaanvallen zijn en het onzachte speenbijten met zijn eiertand: hard, rood kaakvlees. Eenhoorn zou bij leven en welzijn de fles krijgen, was vooraf uitgemaakt. Vader Jongeheer was voorbereid op een zoon. ‘Dat moet een voetballer zijn, dat is mannentaal’, had hij in de laatste weken met zijn oor op de vleesballon van zijn steunende vrouw uitgeroepen. Zijn vrouw kreeg slaag van binnen uit, naar het gedempte getrappel en de forse peuten te oordelen. Een wildebras op komst. Tijdens de bevalling kondigden de eerste tekenen van uitzonderlijkheid zich reeds aan. Moeder moest ingeknipt en beademd. Het wurm dat op uittreden stond was een vechtjas en werkte duidelijk tegen. De dokter had nog niet eerder zo'n enorm hoofd meegemaakt en de kraamhulp werd ijlings weggeroepen omdat men in de kliniek handen te kort kwam bij een drieling. En welke hoogst opmerkelijke gebeurtenissen hadden er elders plaats, wanneer de camera vertraagd uitzoomt op het tijdstip van de geboorte en het doorwoelde kraambed, de handenwringende vader, het kliniekje, het stadje en vervolgens het door dijkjes beschermde landje, penseelstippen worden op een met veelsoortige pigmentstormen geteisterde, almaar slinkende wereldbol? Wat deed het ertoe. Al was het een autoloze, bewegingsloze en evenementvrije zondag geweest en al had de ganse mensheid er om uiteenlopende redenen het zwijgen toegedaan, zich gedrukt, of al was het ras in rook opgegaan; waan en werkelijkheid speelden onder één hoedje in het hoofd van moeder Jongeheer. Een geboorte van een uitzonderlijk kind diende nu eenmaal gepaard te gaan met allerhande buitenissigheden, meende ze en dus vond ze in de loop der tijd een bonte keur van krachtig tot de verbeelding sprekende incidenten die zich zoals dat gebruikelijk is met anciënniteiten in een verwarde terugblik schaamteloos paarden aan de blijde gebeurtenis. Paus Pius de twaalfde overleed die dag en Boris Pasternak bestond het de Nobelprijs voor de literatuur te weigeren. De Wereldtentoonstelling te Brussel werd gesloten en Arke Larsson kreeg op drieënveertig jarige leeftijd in het Zweedse Karolinska-ziekenhuis de allereerste pacemaker geïmplanteerd. Bij het ritme van de eerste artificiële hartenklop werd de SS Rotterdam te water gelaten, het nieuwste passagiersschip van de Holland-Amerikalijn. Bij het ritme van de eerste artificiële hartenklop verbreekt Tunesië haar betrekkingen met Egypte, dient Cals zijn mammoetwet voor het middelbaar onderwijs in, verdwijnt de hartstochtelijke oogopslag van Charles Manson voor langere tijd achter de tralies, droomt Marten Luther King zijn Little Nemo in het Land van de Verbroedering, ontdekken Franse sterrenkundigen te Montelimar verontrustende röntgengolven uit de ruimte, afkomstig van het sterrenbeeld Schorpioen. Dichter bij huis, in het dorpje aan de Maas, was het juist die dag een Boomplantdag van belang. Schooljeugd begaf zich op het afgesproken teken door de straten van de nieuwbouwbuurt gewapend met schoppen, spades en jonge scheuten. Vader Jongeheer, die gemeentelijk nogal wat in de melk te brokkelen had, kreeg op afspraak een jonge boom pal voor zijn huis. Om één van de takken van het prille stammetje bevestigde de trotste vader met onverwoestbaar ijzerdraad het naamplaatje van zijn pasgeboren zoon. Leuk voor later, moet hij gedacht hebben en later, toen het ijzerdraad de haarvaten in het zachte merg ruw beknelde, werd de tak, die allengs verhoutte, een bonzai avant la mode, met de wrede beugel van Roderick Jongeheer, later Eenhoorn, almaar dieper in de oksel zinkend. De stikkende tak groeide, langzamer en moeizamer dan zijn broertjes en zusjes die al riant bladerden en in de zwoele nazomer royaal bloesem strooiden, spiraalsgewijs en gedrongen naar opzij, zoals de geschroefde hoorn van een Oryxantilope. En als dat achteraf geen voorteken van formaat was... Eenhoorn rook naar roest en zware metalen, vond moeder Jongeheer, toen het joch met z’n vettig witte ouwemannengezichtje gewichtig lag uit te hijgen tussen haar borsten van de billekoek die dokters in petto hebben voor dwarsliggende waterhoofden die hun adem inhouden. Ze verzoende zich echter met haar kersverse zoon, toen haar ter ore kwam dat hij een record-gewicht had, record-grootte (vooral het hoofd) en dat zij van de kliniek nog niet eerder zo'n voorbeeldige, snoezige en gulzige reuzenbaby hadden mogen voederen op hun rumoerige kraamafdeling. Alles wees er immers op dat ze inderdaad een buitenbeentje had gebaard en dat was twee.
 ‘...en dat hij tegen maagden dus mild en goedmoedig wordt en al zijn wildheid vergeet, zodat hij bij de maagden in slaap valt en dan aldus gevangen en gebonden kan worden.’ (Albertus Magnus, 1193-1280)
Zijn adem rook. Hij stak een sigaret op, negeerde de pijn in z'n zijde en inhaleerde diep. In het gangetje galoppeerden de kindervoetjes van wel vijf buurmeisjes. De eerste had versterking gekregen en zijn naam klonk nu in koor. Zijn vrouw, in de woonkamer op de knusse tweezitter waar één van tweeën steevast uitgleed als ze verstrengeld lagen, had een uitmuntend gehoor en zou nu wel hoofdschudden. Zij begreep maar al te goed wat die buurmeisjes zochten. In het Frans, met een krullerig handschrift dat ongelimiteerd over het blad danste: ‘De hutkoffer met mijn zaken (“mes affaires”) kan op 12.30 uur in Roosendaal op de trein gezet worden. Hubert staat om 19.20 uur precies op het Gare du Nord. Mijn moeder neemt alles mee naar Grenoble. David en ik zijn niet gelukkig, maar we zijn tenminste samen. C'est quelque chose. Pense à toi. D.’ Ze dacht aan hem. Dat was tenminste iets. C'est quelque chose. Wat had hij in die dagen wel niet aan haar gedacht. Hete, onverzoenlijke gedachten. Gedachten aan haar bekoorlijke lichaam, dat hij behoedzaam had gewassen in het onbeholpen teiltje voor de wastafel. Haar risicovolle schoonheid die hij bewaakte met een broodmes. Niets had het broodmes kunnen uitrichten tegen de gevoelige pen van de zieltogende dichter, die zich voor het huis had geposteerd, nog lang nadat ze naar haar vaderland was teruggekeerd. Ook de dichter leek een hongerstaking van zins. Hij verschrompelde zienderogen. Op een treurige zaterdagmorgen was hij de dichter door de motregen tegemoet gelopen en had hij hem op de hoogte gebracht van de uitzichtloze berichten; dat ze beiden tevergeefs afvielen, dat madame niet meer viel te verwachten. De zaterdag erna was de dichter terug naar zijn boeken. Dit was nou zo'n brief die hem verscheurde. Hij voerde de vuilnisvis handzame stukjes verdriet. Waar hij mager van was geworden werd de zak almaar dikker van.
‘Hij is meer warm dan koud, maar zijn kracht overtreft zijn warmte. Voor mensen vlucht de eenhoorn, Vooral wendt hij zich af van de man. Net zoals de slang in het paradijs zich bij de zondeval van de man afwendde, maar de vrouw aankeek, zo voelt de eenhoorn zich wel tot de vrouw aangetrokken.’ (Hildegard von Bingen, 1098-1179/Vrije vert. Dr. C. Naaktgeboren)
Zijn jeugd was één maternaal inferno. Overal op de groezelige vakantiekiekjes die in zijn paardenbrein paraat lagen ontwaarde Eenhoorn het bleke vollemaansgezicht van moeder. Haar grote, mollige armen met de vlezige, lichtbruine moedervlekken, haar enorme handgereedschap met de melkkleurige, halve maantjes onder de nagelriemen, die zo keurig verzorgd werden, haar hele, blozende vorkheftruck was alomtegenwoordig. Ze pakte Eenhoorntje op en ze zette Eenhoorntje neer. Zijn prille bestaan bestond uit ontelbare belangwekkende verplaatsingen. Zijn moeder had plannen met hem. Zijn jongste dagen roken eeuwig naar Zwitsal, 4711 en de verschaalde esthers uit moeders linkeroksel. Er dreven bij voortduring streng opgemaakte vrouwengezichten in zijn blikveld, die hem valselijk toegenegen waren, die hoge kreetjes slaakten, die zijn plichtsgetrouwe kindertekeningen bezoedelden met obscene lipstick-kussen. Aan moeders uitgebluste boezem geprangd bestond zijn bestaan uit een ongedurig watertrappelen in het luchtledige met die dartele kinderbeentjes die naar een onstuimige galop snakten. Het gezin Jongeheer verkeerde in alle staten, toen op een ochtend de magische tak aan de boom voor het huis was afgebroken. Eenhoorn was weg. Vijftien en onvindbaar. Zestien. Zeventien. Achttien. Pieter-Bas verliet het dorpje aan de Maas om rechten te gaan studeren in de grote stad. Vader Jongeheer verwachtte nu elk moment een benoeming als burgemeester en moeder Jongeheer wachtte al niet meer dagelijks op bericht van haar zoon. Negentien. Twintig. Eenentwintig en onherkenbaar veranderd. Eenhoorn bezocht het ouderlijk huis een week voordat het oudere echtpaar zou verhuizen naar Beneden Leeuwen, alwaar de kroonbenoeming in het ambt van burgervader eindelijk gevallen was. Moeder zag hem eerst aan voor een jonge boomchirurg die van gemeentewege was gestuurd om het woekerende gezwel eens nader te bekijken, op de boom voor het huis, daar waar ooit een ingesnoerde tak had gezeten. Niets verried de bloedband met die rijzige jongeman die minutenlang op de uitgestulpte bast klopte. Ook niet toen hij aanbelde. Evenmin toen hij zich bekend maakte. Zelfs toen hij al weer verdwenen was naar God mag weten waarheen bleef bij de Jongeheers het gevoel van herkenning uit. Ze had hem wel willen aanraken, maar iets vertelde haar dat het niet in goede aarde vallen zou. Ze had hem wel willen vragen naar die vreemde, fletsblauwe bult op zijn voorhoofd, maar haar man, de dorpsdiplomaat, had haar met een streng gebaar tot zwijgen gemaand.
‘Ki-lin. Het dier heeft het lichaam van een axishert, paarde-hoeven, een ossestaart en een wolvekop met hoorn. Het is aardig en brengt geluk en kinderen. Zijn stem klinkt als muziek en nimmer trapt hij op levende planten. Alleen wanneer er deugd-zame keizers regeren komt hij tevoorschijn....’ (De eenhoorn naar Chinese overlevering, voor het eerst beschreven tijdens de heerschappij van keizer Huang-ti, 2697-2597 v.C.)
De brieven gingen nu handevol over de rand. Hij kreeg het steeds kouder en verlangde naar binnen, naar een kop thee, naar de vlinderzachte aanraking van de hand van zijn vrouw in zijn nek. ‘Ik kom niet meer. Ik schrijf niet meer. Ik kan niet meer. Je gedoe maakt me razend. Jouw spreken is wapengekletter. Jouw schrijven is hoefgetrappel. Ik hoef niet meer. M.’ Had hij haar liefgehad? Hij herinnerde zich al te goed haar zwakke plekken. Haar knieën die ze te knobbelig vond. Haar schouders die te breed waren geweest. Haar zeldzame lachje, dat ze verborg achter een vermoeide hand, waar op de rug de huid barstte in een knokige, uitgedroogde woestenij van omkrullende modderkorsten. Ze dorstte naar aandacht en was onverzadigbaar gebleken. ‘Ik heb een dingetje in mijn buik dat steeds maar aan je moet denken. Steeds maar. Er kriebelen bromvliegen op mijn benen en ik klem mijn olifantje stevig vast. Je weet wel waar.’ En weer tuimelde Eenhoorn met duizelingwekkende vaart terug in de tijd. Hij zag zichzelf liggen, languit op zijn buik aan haar voeten. De keukentafel was voor de gelegenheid terzijde geschoven en de zon wierp zich vanaf het binnenplaatsje door de openstaande serredeuren met zondige begeerte op haar naakte benen. Het was een bloedhete dag. Zonnestralen tekenen ieder haartje, ieder oneffenheidje op haar huid met een loepzuiver lichtkransje. Moeizaam, met waarachtig engelengeduld, werkt hij zich, bedreven happend met het schitterende, gouden pincet, langzaam hogerop. Haartje voor haartje. Onder haar leemkleurige, eeltige voeten ligt een kussen van diepblauwe Chinese zijde, waarop wellustig kronkelende en vuurspuwende draken zijn geborduurd. Vanuit zijn ooghoeken bespiedt hij het lollige, pluche olifantbeest dat ze stevig in haar kruis geklemd houdt. Hij haat die knuffel. Hij haat de ondeugende kraaloogjes van het beest en het triomfantelijk trompetterende krulslurfje. Van epileren wordt ze rustig. Hij wil haar natuurlijk juist opgewonden, maar daartoe moet ze eerst kunnen ontspannen. Voorlopig wurgt ze nog uit alle macht een ernstig bedreigde diersoort; de zachte slagtanden boren zich genoeglijk in haar liezen. Dus pulkt Eenhoorn gelaten haartje voor blond haartje uit het bleke vel van haar benen. Hij plukt de kip met de gouden eieren en droomt onderwijl van de plaats die de roze viervoeter bezet houdt, waar het broekje bolt tussen de bovenbenen en waar het vlees zacht is en warm en sponzig. Met zijn neus boven haar voeten snuift hij met tegenzin de ranzige lucht die tussen haar tenen vandaan kringelt wanneer ze wiebelt van genot. Hij onthaart haar wreef, voelt met zijn vingertoppen die al bijna niet meer kunnen de blauwe eeltranden aan haar voetzolen, de grauwe kuiltjes in haar enkels, het litteken op haar linkerhiel, haar achilleshiel, waar het oppassen geblazen is, want daar is ooit iets misgegaan met de zenuwen die nu als een prikkelbare kluwen aan de oppervlakte liggen en bij een ondoordachte aanraking alles kunnen verknoeien. Ze voelt er tevens naderend onweer. Hoe moet dat nu met jou, denkt hij bij ieder haartje dat met een rukje wordt ontworteld. Soms groeien ze verkeerd aan, banen zich een doodlopende weg door de schubbige opperhuid en komen nooit boven. Met een krasje moet hij de huid beschadigen voordat de bek van het pincet het haartje grijpen kan. Soms ontsteekt het haarzakje en komt er een doorzichtig bolletje lymfevocht met het haartje mee. Zeldzaam zijn die haarzakjes die, vanonder een moedervlek, of zomaar, als een gril van haar natuur, een dikke, zwarte haar laten groeien. Die vindt ze het ergst van al. Enge, zwarte griezels. Uitgeroeid moeten ze, met wortel en zak. Hij zou eens moeten weten hoe vaak ze heeft gedroomd overdekt te zijn met een dichte zwarte vacht, of dacht aan de stugge stoppels van de Tarantula op haar kuiten. Een krokodil die je met lange, stevige halen over het roomwitte vel van de onderbuik masseert, wordt een schoothondje, enige tijd later een handtas. Een grijze roodstaart die je eindeloos kopje krauwt, geraakt in trance. Een chimpansee die je geduldig vlooit, adopteert je. Een olifant, ooit een dienst bewezen, prent de weldoener levenslang in zijn geheugen. Zeggen ze. Alles heeft een sleutel. Zij bezwijkt na anderhalf uur onafgebroken epileren. Na wat een intens vermoeiende klim was, van ontharen en nog eens ontharen, voetje voor voetje opschuivend in de richting van het felbegeerde, draait Eenhoorn tenslotte de olifant de nek om en steekt zuchtend de sleutel in het slot. Al die tijd gaf hij betekenisvolle kneepjes in haar kuiten, kriebelde overredend haar knusse knieholtes en drong aan met wipjes van zijn beurse ellebogen tegen haar heupen, haar billen, de zelfingenomen toet van de stoffen mastodont. Tussen het neuriën door ingespannen luisterend naar haar ademhaling, om een begin te maken met wat een mateloze opwinding worden moest. Zondig monnikenwerk. Een kutklusje. De resterende correspondentie verdween ongezien in de vuilniszak. De zak puilde uit en moest aan twee oortjes dichtgebonden worden. Doof moest je zijn. Eenhoorn richtte zich krakend in zijn gewrichten op van het kratje. Bij het verlaten van het schuurtje stootte hij zijn overgevoelige voorhoofd krachtig tegen de deurlijst. Buurmeisjes stoven uiteen toen hij hoorbaar lucht gaf aan zijn pijn. Hij zag ze wegrennen door het smalle gangpad achter de schuurtjes en dacht een ogenblik aan hun moeders en aan de moeders van hun moeders. De pijn in zijn zijde was nog lang niet verdwenen. Wat met lijden werd veroverd, sleurde men een mensenleven lang mee.
‘Het dier zelfs is veel kleiner dan een Oliphant, maar van een buitengewone sterkte. Van den hals en na beneden heeft het de gedaante van een Buffel: maar gene gespleete klaauwen. Een Oliphant vliedt op het gezigt van een Eenhoorn. Zijn geroep is byna gelyk als van een rund; dog zweemt ook eenigzins na het geroep van ene Kameel. Men vindt'er vele in de broeklanden van Indië.’ (Augustinus Calmet, 1731)

Het verhaal 'Eenhoorn telt'  verscheen eerder in 'De Brakke Hond', Vlaams literair tijdschrift (met neus), jaargang 8, 1991.


© Taco Meeuwsen, all rights reserved.

Japan's senseless slaughter of dolpins in progress